Gedicht

O Roma-chirikla

Varekana e Roma sas chirikle; dende katar o devel meste thaj ujrena sas kaj na.

I legenda mothavel chirla so ano purane ‘ivenda o Roma sas sar chirikle, dende katar o devel, ujrena sas kaj na. But gudle mujeske chirikle loshale gila gilavena sas. 

Pe jek djes dikle jek sumnakuno kher, palata, thaj sa p-e hurdone chiriklenca ujrinde te dikhen so sas ‘othe. 

Achile dikhindo, kana dikle sar vi o aver chirikla o’the beshena sas, sar e kahnia, e papine, o papinia so nashti sas majbut te ujren. 

E chirikla katar i palata sa p-e vogea denge e Romane chiriklenge o mirikla, sumnakai thaj o gudlipe te shaj achen ‘lenca ande ‘lengi palata. 

E Romane chiriklenge thodine o barvalimos thaj o sumakai te len pesa pe lenge phaka. 

Jek ‘lendar diklas kodo so p-e lengo dumo o pharipe ushtadas-len thaj phenda te na ujren majdur, konik ni shunda ‘les thaj ‘odolestatar) so ‘ov ni mangla te beshel ando sumnakuno khafaz, hutingia katar o badal thai mudardas-pes. 

Ta atoska avile e Romane - chirikla pe peski godji dikhle pe peske phaka sas olengo o pharipe thaj.
Kadalestar buter von nashti urjenas. 

Ando kodo moment pe’li jek loli pork pherdi rat, thaj
sar ujrela sas e pork pe’li pe lende, phare meriklenda, sumnakaestar, so sas p-e lenge phaka, achile tele pe phuv. O chirikla ule majlokhe numai nashti sas te ujren. Katar i aver rig, i loli pork, ushtinda katar e ‘ivendune balval te ujrel. O Romane chirikla so kanikana nashti sas te ujren lie o drom e lole porkasa thaj savaxt achile meste. 

Katar o baro) phirimos katar o bare droma o porke perle lendar thaj amialena sas sa o vaxt sar e manush ‘othe sas mursha thaj zhuvla p-e chiriklane - ilosa. 
De Roma vogels

Ooit waren de Roma vogels; frank en vrij vlogen ze overal heen.

Een legende vertelt dat vele, vele winters geleden de Roma vogels waren die frank en vrij overal heen vlogen. Prachtige vogels die vreugdevolle liedjes zongen.
 
Op een dag zagen ze een gouden paleis; verrukt vlogen ze er met de hele zwerm naartoe om te kijken wat het was 
 
Verbaasd zagen ze dat daar andere vogels woonden; ook kippen, eenden en kalkoenen die al niet meer konden vliegen.
 
Vol bewondering gaven de vogels in het paleis sieraden en suikergoed aan de Roma-vogels, zodat ze in hun paleis zouden blijven.
 
De Roma-vogels, beladen met de rijkdommen, aanschouwden het goud.
 
Een van hen zag hoe de hebzucht zijn reisgenoten inpalmde en stelde voor de vlucht te hervatten, maar zijn vogels luisterden niet naar hem, en omdat hij niet in die gouden kooi wilde blijven, pleegde hij zelfmoord, door zich van een wolk te storten.
 
Pas toen kwamen Roma-vogels bij zinnen, maar vanwege al het gewicht op hun rug konden ze niet vliegen.
 
Op dat moment kwam er een veer, rood van bloed, door de lucht naar hen toe gedwarreld en toen hij de grond raakte, vielen de gouden sieraden die op hun vleugels waren bevestigd, naar beneden. Hoewel de vogels nu weer licht waren, konden ze niet vliegen. De rode veer daarentegen, voortbewogen door de winterbries, ging op weg, en de Roma, die nooit meer zouden vliegen, volgden de veer en waren weer vrij.
 
Bij het lopen raakten ze langzaam hun veren kwijt en veranderden in mensen, voor altijd [waren ze] mannen en vrouwen, maar met de ziel van een vogel.

Dit gedicht is geschreven door Paco Suarez in het Spaans, de oorspronkelijke titel is ‘Los Gitanos Pajaros’. Het is vertaald naar het Romanes door Beki Galjus en naar het Nederlands door Irene van Meehn. Ook de muziek is van Paco Suarez.